GESCHIEDENIS

De Budelse verkennersgroep Frère Jacques is opgericht in 1947 en had zijn eerste huisvesting op de zolder van het boerenbondgebouw tegenover de boerderij van de zusters van Liefde in de huidige Willem II straat. Deze gebouwen zijn in de loop van de jaren afgebroken. Spoedig kampte de jonge vereniging met ruimteproblemen. Via de zinkfabriek kon een grote bouwkeet aangeschaft worden en met toestemming van de gemeente kon dit gebouwtje opgebouwd worden op het  zo genoemde paardenterrein achter de tuin van het nonnenklooster. Later stond hier de Willem II sigarenfabriek en de Mavo school. De bouw van onze eerste blokhut was geen succes. Wat op zaterdagmiddag met veel moeite opgebouwd werd, werd in de week erna door baldadige jeugd weer afgebroken en vernield. Ten einde raad werd de bouwkeet maar weer verkocht en bleven we dankzij de bereidwillige medewerking van Toon Teeuwen, de zaakvoerder van de boerenbond, nog enkele jaren op de zolder van het boerenbondgebouw gehuisvest. Helaas, in 1956 moesten we vertrekken. De boerenbond had de ruimte zelf nodig en aldus kwamen we op straat te staan. Wat nu te doen? De schamele bezittingen van de vereniging werden opgeslagen bij een van de leidinggevende thuis en er kwamen plannen om te komen tot een eigen blokhut.

Allereerst werd er gedacht aan de bouw van een nissenhut in de boomgaard achter de jongensschool,  tegenwoordig het parkeerterrein achter de Borgh. Dit was de goedkoopste oplossingen tamelijk snel te realiseren. Gelukkig kwam kapelaan Reijmer met een beter idee om een stenen gebouw te plaatsen en met behulp van de gemeente kregen we een terreintje aangewezen achterin de Broekkant. Geld voor de bouw was er niet en de subsidiemogelijkheden via de gemeente waren toen al net zo moeilijk als nu. Na een winter aanmodderen met de jeugd in de open lucht in de bossen op de Berg, bij strenge kou hier en daar bij de leden thuis in de garage of bijkeuken ( de leiding moest dan op vier of vijf plaatsenzijn om toezicht te houden) vond aannemer Frans Davits uit de Herenstraat het welletjes. Via hem konden we van de aannemersvereniging een bedrag lenen voor de aanschaf van materialen en met behulp van diverse vrijwilligers kon met de bouw begonnen worden. Via notaris Smist werd er een jeugdraad opgericht met als voornaamste doel het bijeenbrengen van de nodige penningen. Iedere inwoner van Budel kreeg op zijn of  haar verjaardag een felicitatiezakje thuis met het verzoek om voor elk jaar dat men telde 1 cent in het zakje te doen. De oudere leden van de verkenners gingen deze zakjes dan weer aan huis ophalen en inleveren bij het bestuur van de jeugdraad.

Eind 1957 was de blokhut in de Broekkant zover onder dak dat we weer in een overdekte ruimte onze bijeenomsten konden houden. We konden elkaar bij het licht van een enkele gaslamp weer in de ogen kijken. De problemen waren echter nog lang niet opgelost en de financiele toestand werd er niet beter op. Stad en land werd er afgezocht naar oude gaslampen om de verlichting in orde te krijgen (elektriciteit was er niet). Toezeggingen om het dak te voorzien van dakleer werden niet nagekomen. Bij de bouw was geen rekening gehouden met de behoefte aan een toilet. Die moest later nog gemaakt worden met eigengemaakte betonpalen en platen.Gelukkig was er wel waterleiding zodat er gewerkt kon worden aan een toilet met waterspoeling. Om kosten te sparen werd de meterput van de waterleiding vlak naast de straat gesitueerd. We konden in eigen beheer het water verder transporteren naar het gebouw en het toilet. Ook hier kregen we weer te maken met mensen die het verschil tussen mijn en dijn niet kenden; op zeker moment waren alle koperen leidingen uit het toilet gesloopt en kon het leidingwater enkele dagen ongestoord weglopen.

Bij het begin van de schoolvakanties in 1958 was het gebouw klaar. De mannen en vrouwen van het laatste uur konden rond zes uur in de morgen huiswaarts gaan. En om inkomsten te genereren kwam het eerste vreemde zomerkamp van ons nieuwe gebouw genieten. De verlichting was echter een groot probleem, kousjes voor de gaslampen waren nauwelijks meer te koop. Bij koud weer was er te weinig druk op het flessengas, de gasfles was plotseling leeg en de behoefte aan elektriciteit werd steeds groter. Als eerste oplossing werd gewerkt met een oud aggregaat uit het leger maar ook dat gaf vele problemen. De benzine was nog al eens op of de motor wou niet starten etc.etc. Ook het toilet in het noodgebouwtje werd een grote ramp. De toegangsdeur was niet sluitend te krijgen. En het leek wel of iedere wandelaar die op het Budelse Groot Broek rondliep er behoefte aan had om van het toilet gebruik te maken. We konden wekelijks een grote hoop stront zien op te ruimen.Ook het zwembad in de Cranendonckse bossen was voor ons een groot probleem.Jeudige bezoekers die daar werden verwijderd vierden hun baldadige streken op ons clubgebouw bot. Menige keer zijn we zelf van een zomerkampt eruggekomen om ons gebouw dan half afgebroken terug te vinden.

Midden jaren zestig is er toen een kleine uitbouw aan de blokhut bijgekomen waar een keukentje, een wasruimte ent  oiletten in kwamen.Schone toiletten was ook weleen 'must' want de verkenners kregen in die tijd kleine broertjes, welpen genaamd. De leiding hiervan bestond in die tijd enkel en alleen uit vrouwen en die hadden wel eens behoefte aan een schoon toilet.

 Enkele jaren later is toen de aansluiting op het lichtnet tot stand gekomen. De totale kosten hiervan bedroegen 3000 gulden. Hiervan betaalde de gemeente en de 'raad voor jeugdbeleid' elk een derde gedeelte en de verkennersgroep moest het resterende gedeelte bij elkaar zien te krijgen middels een actie éen heitje voor een karweitje'.

 Begin jaren negentig ontstond de behoefte aan een meer eigentijds gebouw. Bouwplannen werden gemaakt, financieringsplannen opgesteld, subsidie mogelijkheden onderzocht en in1997 durfden we het met behulp van ouders aan om nieuwbouw te plegen. Na heel veel zwoegen en zweten kwam ons nieuwe clubgebouw in 1998 gereed.

We zijn nu gehuisvest in een prachtig gebouw, in een mooie omgeving en een fantastische buurt waar we nog heel lang hopen te blijven zitten om een gedeelte van de Budelse jeugd op te vangen in hun vrije tijd.